Op 9 juli 2025 presenteren de belangorganisaties van provincies, gemeenten en waterschappen samen met de lobbyorganisatie van de veehouderij hun ”Bouwstenendocument emissiereductie landbouw”. Het voorstel pretendeert “om op basis van het startpakket met nadere voorstellen te komen, waarmee vergunningverlening wel weer snel kan worden opgepakt”. Concrete oplossingen ontbreken in het voorstel en voor de rest is het een schaamteloos pleidooi voor nog meer subsidies, een poging om maatregelen wederom op de lange baan te schuiven en de wettelijke bescherming van natuur en milieu nog verder te ondermijnen.
Zes jaar na de befaamde uitspraak over het Programma Aanpak Stikstof worstelen Rijk en provincies nog altijd met de aanpak van de stikstofproblematiek. Het falende beleid kost Nederland ondertussen vele miljarden per jaar. Daarnaast zijn er urgente opgaven op gebied van klimaat, het verbeteren van de waterkwaliteit, het tegengaan van verdroging en het verminderen van het gebruik van pesticiden. Een grondige transitie van het landelijk gebied is noodzakelijk om deze problemen op te lossen, de kwaliteit van de leefomgeving te verbeteren en te zorgen voor een toekomstbestendig landschap. Inmiddels liggen er allerlei adviezen, is er een streep gezet door het Rijksbeleid voor een integrale gebiedsaanpak, en zijn diverse overheden weer ouderwets op zoek naar uitstel en geitenpaadjes. Ook het bouwstenendocument emissiereductie landbouw komt niet verder dan wat losse flodders en veel ruis.
Het meest opvallende van dit voorstel is dat publieke organisaties zoals het Interprovinciaal Overleg (IPO), de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en de Unie van waterschappen zich laten lenen voor een lobby van de veehouderijsector. Je zou van deze organisaties verwachten dat ze zich inzetten voor publieke belangen zoals de bescherming en verbetering van het leefmilieu, dat ze daarbij een integraal perspectief hanteren waarin verschillende opgaven in samenhang worden opgepakt én dat ze zorgen voor een effectieve inzet van publieke middelen (belastinggeld). In plaats daarvan doen ze een weinig concreet voorstel voor het introduceren emissienormen, zonder uitleg over hoe dat voorstel past in een integrale visie op de transitie van het landelijk gebied. Daarnaast wordt voorgesteld om de maatregelen opnieuw op de lange baan te schuiven, zonder een geborgde vermindering van de uitstoot in de komende jaren. Daarmee doet het voorstel geen recht aan de noodzaak om de uitstoot van ammoniak juist op de korte termijn fors te verminderen.
Het is vreemd dat deze publieke organisaties niet de moeite hebben genomen om andere belanghebbenden bij de uitwerking van het voorstel te betrekken. Noch de talloze agrarische initiatieven die al hebben laten zien dat verduurzaming prima mogelijk is binnen de huidige kaders, noch natuur- en milieuorganisaties, noch de bouw- en werkgeversorganisaties, noch organisaties die andere belangen of waarden vertegenwoordigen zijn betrokken. Blijkbaar doet de mening of visie van andere organisaties er voor IPO en consorten niet toe. En dat is extra kwalijk omdat het document mede daardoor een verkeerde voorstelling van zaken geeft en zich slechts richt op een deelbelang: de veelal intensieve veehouderij.
Precies die eenzijdige focus is de onderliggende oorzaak van de huidige problemen. Decennialang is zowel het natuurbeleid als het landbouwbeleid voor een belangrijk deel vorm gegeven met als doel om zoveel mogelijk ruimte te creëren voor de intensieve veehouderij. Dat gebeurde via het steeds verder afzwakken van milieuregelgeving en middels subsidies die aansturen op schaalvergroting. Honderden miljoenen zijn in de vorm van subsidie naar “de sector” gegaan. De problemen zijn onverminderd groot gebleven. De economische schade van deze aanpak loopt inmiddels in de miljarden. En ondertussen lopen de geloofwaardigheid van de overheid en de rechtsstaat steeds grotere deuken op.
Ook dit voorstel doet de geloofwaardigheid van de betrokken publieke organisaties geen goed. Inhoudelijk komt het voorstel neer op het per sector en bedrijf vaststellen van een emissienorm. Dat is op zich een interessant idee, maar het voorstel maakt niet duidelijk hoe die normen er dan uit gaan zien. Daardoor is de uitvoerbaarheid van het voorstel niet te beoordelen. Ook is niet te beoordelen of en in hoeverre monitoring en bijsturing in een latere fase reëel zijn. Daarnaast is onduidelijk of bij de uitwerking van de normen onderscheid gemaakt gaat worden tussen de verschillende regio’s. De opgave om de uitstoot van ammoniak te verminderen is in Groningen immers minder groot dan in de Gelderse Vallei of in de omgeving van de Peel. Het is dus maar de vraag of met deze aanpak wordt voldaan aan de noodzaak om prioriteit te geven aan de meest kwetsbare gebieden.

Verder gaat het voorstel voorbij aan de noodzaak om op zeer korte termijn al een substantiële vermindering van de uitstoot te realiseren. De partijen nemen 2035 als tijdshorizon en stellen daarmee dus voor om het treffen van maatregelen opnieuw op de lange baan te schuiven. De tussentijdse evaluatie in 2030 dient in dit voorstel slechts om eventueel te kunnen bijsturen. Deze keuze is zeer vreemd omdat uit het bevel van de Rechtbank Den Haag heel duidelijk maakt dat de uitstoot al in 2030 fors verminderd moet zijn. En ook voor die tijd zullen flinke stappen gezet moeten worden.
De conclusie is dan ook dat met dit voorstel de verslechtering van beschermde habitat typen vooralsnog niet wordt voorkomen. Dat betekent ook dat hiermee geen ruimte wordt gerealiseerd voor vergunningverlening. Of de voorgestelde aanpak op lange termijn kan gaan werken, hangt af van de normen die gehanteerd zullen gaan worden, het tempo waarmee die normen worden geïmplementeerd en of ze daadwerkelijk gehandhaafd gaan worden.
Mogelijkheden om de uitstoot op korte termijn fors te verminderen zijn er zeker. Een rapport van de WUR laat zien dat met maatregelen zoals netjes werken, meer koeien in de wei en het aanpassen van het voer de uitstoot van ammoniak vrij eenvoudig verminderd kan worden. Het is dus prima mogelijk om met maatregelen te komen waarmee wordt voldaan aan het bevel van de Rechtbank Den Haag. Dat bevel houdt in dat in 2030 50 procent van de oppervlakte aan stikstofgevoelige natuur in de Natura 2000-gebieden onder de KDW moet worden gebracht en dat daarbij voorrang moet worden gegeven aan de gebieden die de grootste zorg behoeven en op de Urgente Lijst staan.
De ligging van de gebieden van de Urgente Lijst in Nederland (Rechtbank Den Haag op basis van Tomassen en Bobbink, 2024).
Het voorstel van IPO en consorten bevat geen concrete oplossing, maar presenteert slechts het idee om via normen te gaan sturen op vermindering van ammoniakemissies. Zonder verdere uitwerking en zonder de inbedding daarvan in een duidelijke visie op de toekomst van de landbouw is het een lege huls. Tegelijkertijd staan er in het document diverse zaken die niet kloppen en suggesties of zelfs eisen die niets met het primaire voorstel om te gaan sturen op emissienormen van doen hebben. Het doet sterk denken aan een eerder lobbydocument van LTO dat op vergelijkbare wijze een verkeerde voorstelling van zaken gaf. Daarmee vervalt het laatste beetje van de geloofwaardigheid van het voorstel.
Niet voor niets reageerden Bouwend Nederland, VNO-NCW, Natuurmonumenten en Natuur & Milieu zeer kritisch op het voorstel en lieten ze in een gezamenlijke reactie weten dat dit voorstel Nederland niet van het stikstofslot haalt.
In aanvulling op de bovengenoemde tekortkomingen bevat het voorstel van IPO en consorten op diverse punten een onvolledige of zelf verkeerde voorstelling van zaken. Een aantal daarvan wordt hieronder kort toegelicht.
“Er is een blijvende grote onzekerheid bij agrariërs over de stabiliteit en continuïteit van het overheidsbeleid en daardoor kunnen ook zij niet de gewenste stappen zetten naar verduurzaming en een toekomstbestendige bedrijfsvoering” (p. 2).
De onzekerheid die veel veehouders ervaren hangt samen met het uitstellen van noodzakelijke maatregelen en het feit dat het Rijk niet wil aangeven hoe ze wil gaan sturen op de vermindering van de uitstoot van ammoniak. In die zin kunnen specifieke normen de gewenste duidelijkheid geven. Tegelijkertijd zijn er ook binnen de huidige kaders voldoende mogelijkheden om de uitstoot te verminderen. Omschakelen naar biologische kan de uitstoot van ammoniak met 40 tot 50% reduceren. En ook diverse andere “innovaties” uit het befaamde WUR-rapport kunnen nu al worden ingezet. In 2022 publiceerde Rougoor en Van der Schans al een rapport met maatregelen die ze kwalificeerde als “laaghangend fruit” en waarmee de totale ammoniakemissie vanuit de veehouderij met 36% kunnen worden gereduceerd. Hun focus was toen op maatregelen die voor het einde van 2025 effectief konden zijn.
“De belangrijkste pijlers van deze aanpak zijn de wettelijke verankering van emissiedoelen in plaats van sturing op depositie (KDW’s) en een daarmee gepaard gaande omslag naar een nieuw regime voor toestemmingsverlening” (p. 3).
Dit is het eerste punt waar het voorstel de plank redelijk misslaat. Het wettelijk verankeren van emissiedoelen betekent immers niet dat stikstofdepositie op beschermde natuurgebieden niet meer relevant is. Er is helemaal geen nieuw regime voor toestemmingsverlening nodig. Het beschermen van natuur tegen overmatige stikstofdepositie én beleid om te sturen op vermindering van ammoniakemissies zijn beide nodig. Het treffen van maatregelen om verdere verslechtering te voorkomen, is een verplichting die volgt uit de Habitatrichtlijn. Het instellen, monitoren en handhaven van emissiedoelen kan een van de maatregelen zijn om de drukfactor stikstofdepositie te verminderen. Het sturen op emissies maakt de kritische depositiewaarden niet minder belangrijk. Een nieuw regime voor toestemmingsverlening is daarvoor ook niet nodig en ook niet mogelijk omdat bij toestemmingverlening altijd beoordeeld zal moeten worden wat de gevolgen zijn voor een beschermd natuurgebied.
Als bij het tussendoel in 2030 blijkt dat de uitvoering van het gemaakte plan onvoldoende stikstofreductie oplevert en dat de opgave alleen met dwingender instrumentarium kan worden gerealiseerd, dan is het mogelijk dat provincies, in overleg met het gebied, dwingend instrumentarium inzetten” (p. 10)
Deze zin maakt duidelijk dat het voorstel zich vooral richt op de lange termijn. Het is echter cruciaal dat de uitstoot van ammoniak al voor 2030 fors wordt verminderd. Het is niet voldoende om te wachten tot 2030 om dan te bepalen of ander instrumentarium ingezet moet worden. De ervaringen uit het verleden laten zien dat effectief beleid vraagt om duidelijke sturing en de inzet van dwingender instrumentarium . Op basis van alleen maar vrijwilligheid worden doelen niet behaald.
“Alle sectoren dragen bij” (p. 3)
Dit is een argument wat vaak herhaald wordt vanuit de veehouderijsector. Het klinkt redelijk en logisch, maar het verhult dat de veehouderijsector met stip de grootste bron van stikstofdepositie is. “Als alleen de binnenlandse bronnen in beschouwing worden genomen, dan is de bijdrage van de landbouw 74%”. Bovendien verhult de uitspraak dat de uitstoot van andere sectoren zoals industrie en verkeer al flink is gedaald in het afgelopen decennium. En dat terwijl de uitstoot vanuit de veehouderij pas in de afgelopen jaren een daling laat zien, mede als gevolg van de dure opkoopregelingen. Ook vooruitkijkend is de verwachting dat de daling in andere sectoren door zal zetten, terwijl voor de veehouderij overduidelijk aanvullende maatregelen nodig zijn om de noodzakelijke vermindering van de uitstoot van ammoniak te realiseren. Daarnaast is het vreemd dat van andere sectoren wordt verwacht dat de uitstoot met 50% wordt verminderd, terwijl de veehouderij, de belangrijkste bron van stikstofdepositie, slechts inzet op 42-26%.
“We constateren ook dat er afgelopen jaren te veel onduidelijkheid heeft bestaan over de wijze waarop het Rijk zorg draagt voor de daling van stikstof en voor een toekomstbestendig stikstofbeleid”.
Deze uitspraak is correct voor zover die verwijst naar de beslissing om een streep te zetten door het Nationaal Programma Landelijk Gebied en het vrijwel ontbreken van verder beleid. Tegelijkertijd is al sinds 2019 – en eigenlijk ook al in de jaren daarvoor – duidelijk dat er veel te weinig gebeurt om de uitstoot van ammoniak te verminderen. Daarbij is het ook vreemd dat provincies (IPO) het Rijk een verwijt maken, terwijl ze zelf op grote schaal vergunningen hebben verleend die ze eigenlijk niet hadden mogen verlenen en daarnaast ook veel te weinig hebben gedaan om natuur te beschermen. Ook binnen de huidige kaders hebben provincies voldoende mogelijkheden om zelf aan de slag te gaan.
“Een houdbaar en voorspelbaar vergunningstelsel” (p. 5).
In het voorstel wordt gepleit voor een houdbaar en voorspelbaar vergunningstelsel. Dat heeft Nederland op dit moment. Het probleem is echter dat provincies zich meer dan regelmatig niet houden aan dat vergunningstelsel en vergunningen verlenen die evident in strijd met de wet zijn. Als die dan worden aangevochten kan een rechtbank niet anders dan de vergunning vernietigen. De onvoorspelbaarheid komt dus niet voort uit het stelsel, maar uit onkunde of kwade opzet.
PAS-melders en interimmers hebben nog steeds geen vergunning
Op diverse plekken in het voorstel wordt een pleidooi gedaan voor het verlenen van vergunningen aan PAS-melders en interrimmers. Daarbij wordt niet vermeld dat interimmers bedrijven zijn die hebben uitgebreid zonder te beschikken over de daarvoor vereiste vergunning. Het zijn bedrijven die daardoor ook niet in aanmerking komen voor legalisering. Een betrouwbare overheid was jaren geleden al begonnen met het controleren en handhaven; ook om een eerlijk speelveld te creëren voor de bedrijven die zich wel netjes aan de regels houden.
Daarnaast geldt voor PAS-melders dat het bedrijven zijn die hebben geprofiteerd van de onwettige constructie die via het Programma Aanpak Stikstof was opgezet. Zij konden daardoor hun bedrijf uitbreiden of een eerdere uitbreiding legaliseren, maar hadden ook kunnen weten dat de constructie geen stand zou houden. Het risico van uitbreiding zonder de daarvoor benodigde vergunning ligt normaal gesproken bij het bedrijf zelf, maar door effectieve lobby is in de Omgevingswet opgenomen dat de Minister voor Natuur en Stikstof tezamen met gedeputeerde staten van de provincies zorg draagt voor het alsnog legaliseren van deze bedrijven. Dat kan vrij eenvoudig als deze bedrijven de situatie herstellen zoals die was voor de PAS-melding. In praktijk wordt echter veelal gekeken naar mogelijkheden de uitbreiding achteraf te legaliseren. Dat betekent dat eerst maatregelen genomen moeten worden om de daarvoor benodigde “stikstofruimte” te creëren. Dat leidt tot de vreemde situatie dat de overheid veehouderijbedrijven is gaan opkopen in een poging de uitbreiding van andere veehouderijbedrijven te legaliseren. Een aanpak die vele miljoenen kost.
Een belangrijke voorwaarden voor het legaliseren van PAS-melders is dat hiervoor alleen maatregelen ingezet mogen worden die aanvullend zijn aan maatregelen die sowieso noodzakelijk zijn om verslechtering van beschermde habitattypen te voorkomen. Eerst zal dus gezorgd moeten worden dat er voldoende maatregelen zijn om de overmatige stikstofdepositie te verminderen, pas daarna kunnen aanvullende maatregelen ingezet worden voor het legaliseren van PAS-melders.
“De in deze bouwsteen beschreven aanpak zal in een spoedwet een doorvertaling moeten krijgen in regelgeving” (p. 4)
Het pleidooi voor een spoedwet voor een voorstel dat zonder inbreng van andere belanghebbenden tot stand is gekomen en dat inhoudelijk rammelt, is een vreemd idee. Gezien de lange reeks debacles op dit dossier (Toetsingskader Ammoniak, Programma Aanpak Stikstof, Bouwvrijstelling, Legalisering PAS-melders) zou een zorgvuldig wetstraject een minimale voorwaarde moeten zijn. Een belangrijke les uit het verleden zou ook moeten zijn dat voorstellen die door LTO worden gedaan meestal tot nog grotere problemen leiden.
Ondanks jarenlange inzet van de overheid en land- en tuinbouwsector op deelmaatregelen, ontbreekt vooralsnog een samenhangende en structurele oplossing (p. 5).
Uit de tekst wordt niet duidelijk op welke inzet wordt gedoeld. Als we terugkijken zien we immers dat de jarenlange inzet zich vooral gericht op het traineren en ondermijnen van effectief beleid, het lobbyen voor geitenpaadjes zoals het Programma Aanpak Stikstof en het ontvangen van honderden miljoenen aan belastinggeld voor niet werkende “innovaties”. Dat is inderdaad een inzet die niet bijdraagt aan een structurele oplossing.
Voedselzekerheid
Voedselzekerheid wordt regelmatig genoemd in de discussies over de noodzakelijke transformatie van de landbouw. Het is een frame dat vooral ingezet wordt om noodzakelijke veranderingen te frustreren. Juist voor voedselzekerheid is het immers belangrijk om de omschakeling naar veel minder dierlijke productie te bevorderen.
“Vergunningverlening weer op gang” (p. 6)
Om de vergunningverlening weer op gang te krijgen zijn twee zaken van belang. Ten eerste moet heel goed nagedacht worden waarvoor wel en niet vergunningen worden verleend. Niet alles kan schreef de commissie Remkes, daarmee wijzend op de noodzaak op keuzes te maken. Maatschappelijk gezien ligt het voor de hand om vergunningverlening voor bouwprojecten en duurzame energie prioriteit te geven, maar zeer terughoudend te zijn met vergunningverlening voor uitbreiding van veehouderijbedrijven. Ten tweede komt ruimte voor het verlenen van nieuwe vergunningen alleen beschikbaar als eerst voldoende maatregelen worden gerealiseerd om de stikstofdepositie substantieel te verminderen en de effectiviteit van deze maatregelen ook vaststaat. Een voorstel waarbij wordt beloofd dat in de toekomst de uitstoot minder zal zijn, kan niet ten grondslag liggen aan het verlenen voor nieuwe vergunningen.
“Met de uitwerking van dit pakket wordt additionaliteit voor de drukfactor stikstof ingevuld” (p. 6).
Additionaliteit verwijst naar de noodzaak om eerst voldoende maatregelen te treffen om verslechtering van natuur te voorkomen voordat vergunningen kunnen worden verleend voor activiteiten die zorgen voor meer uitstoot en stikstofdepositie. Uit diverse analyses en de uitspraak van de rechtbank Den Haag wordt duidelijk dat om verslechtering te voorkomen een generieke reductie van zo’n 53% van de emissies uit de landbouw noodzakelijk is. Met een gebiedsgerichte aanpak is de generieke reductie minder groot, maar daarvoor moet in randzones dan wel een reductie van 65 – 85% worden gerealiseerd, waarbij de randzone rond de Veluwe varieert van 15 tot 5 km. Het voorstel dat inzet op een generieke reductie van 42-46% in 2035 schiet dus flink tekort. Met die inzet wordt niet voldaan aan het verslechteringsverbod en ook niet aan het bevel van de rechtbank Den Haag. Het voorstel voldoet dus ook niet aan het additionaliteitsvereiste.
“We vragen het Rijk om wettelijk te borgen dat NDA’s geen rechtstreekse derdenwerking hebben op (wettelijk) geborgde afspraken over emissiereductie in de landbouw” (p. 7)
De zinnen over de natuurdoelanalyses (NDAs) zijn op zijn minst opmerkelijk te noemen. Ten eerste hebben deze NDAs namelijk niets te maken met een voorstel om via normering te werken aan verminderen van ammoniakemissies. Daarnaast worden in de tekst suggesties gedaan over een directe invloed van NDAs op vergunningverlening en afspraken over emissiereductie die niet kloppen. De inzichten en conclusies van de NDAs en de adviezen van de Ecologische Autoriteit spelen een belangrijke rol bij vergunningverlening, maar er is nooit een directe invloed. Het is raden naar het doel van deze verkeerde voorstelling van zaken, maar dergelijke passages ondermijnen de geloofwaardigheid van het stuk en illustreren dat het niet is geschreven met de intentie op tot een integrale oplossing te komen.
“Volgens het PBL leidt het huidige vastgestelde en voorgenomen beleid in de landbouwsector naar verwachting tot een stikstofemissiereductie van 20 kiloton in 2030 ten opzichte van 2022” .. Omdat PBL in haar analyse gebruikmaakt van vastgesteld beleid, kan de verwachte emissiereductie ook gebruikt worden als onderdeel van een doorrekenbaar geborgd pakket.(p. 8)
Hier wordt verwezen naar het rapport PBL-ramingen 2030. In dat rapport laat het Planbureau voor de Leefomgeving zien dat naar verwachting de uitstoot van NOx flink zal dalen in de komende jaren. De verwachting is dat ook de uitstoot van ammoniak naar verwachting zal dalen van 110 kton in 2022 naar 90 kton in 2030. De belangrijkste reden daarvoor is het vervallen van de derogatie. Het zou dus logisch zijn geweest als IPO en consorten de minister met klem hadden gevraagd om af te zien een verzoek voor een nieuwe derogatie. In plaats daarvan volgt een pleidooi voor opkoopregelingen, voor meer subsidies voor dure technische maatregelen en het faciliteren van de vergunningverlening voor de inzet van deze maatregelen. Dat laatste is op dit moment lastig omdat deze maatregelen (veel) minder effectief zijn dan op voorhand wordt beweerd. Daarnaast laat het PBL rapport ook zien dat op korte termijn fors meer maatregelen nodig zijn om verslechtering van natuur te voorkomen.
Gebruik innovaties
In het voorstel wordt regelmatig de term innovatie gebruikt zonder dat daarbij concreet wordt aangeven om welke maatregelen het gaat. Innovatie blijft daardoor een vage term. In het rapport van de WUR over “landbouwinnovaties” gaat het bijvoorbeeld over koeien in de wei, netjes werken, windsingels rond het erf, of minder eiwitrijk voer, naast maatregelen als voeradditieven, mestschuiven of luchtwassers. Veel van die maatregelen kunnen ook nu al ingezet worden. Daar is geen subsidie of wijziging van de regelgeving voor nodig. Sommigen maatregelen leveren zelfs financiële winst op doordat wordt bespaard op de kosten. Andere maatregelen kosten juist enorm veel geld. En van sommige maatregelen zoals luchtwassers en emissiearme stallen is bij herhaling als bewezen dat ze veel minder effectief zijn dan wordt beweerd. Echt innovatief kun je die ook niet noemen, want ze zijn vooral een variant op wat er al wordt ingezet.
Welke maatregelen het beste passen kan elk bedrijf zelf bepalen, maar zelf bepalen betekent ook zelf betalen. Het kostenaspect is immers een van de afwegingen. In het kader van doelsturing en vrijheid voor bedrijven om zelf te bepalen hoe ze hun emissies willen reduceren, moet de overheid dan ook niet alsnog gaan sturen via subsidies. In het kader van de vervuiler betaalt zou dergelijke subsidie ook haaks staan op de uitgangspunten van de Omgevingswet.
Monitoring en evaluatie
Het voorstel benadruk het belang van monitoring, evaluatie, bijstelling en handhaving. Het wordt echter niet duidelijk hoe deze aspecten vormgegeven kunnen worden. Hoe die monitoring eruit kan zien hangt samen met de wijze waarop normen worden vormgeven. Het aantal dieren is eenvoudiger bij te houden dan de gemiddelde uitstoot per dier per bedrijf. Het is ook bekend dat sommige vormen van regelgeving gevoelig zijn voor fraude. Zonder een concrete uitwerking van de normen en de wijze waarop monitoring en evaluatie plaats kan vinden is het voorstel niet meer dan een weinig concrete suggestie.
Het is ook heel vreemd dat het voorstel niet verwijst naar de studie Normeren en beprijzen van stikstofemissies dat is opgesteld door ABDTOPConsult. In dat rapport wordt een aantal voorwaarden voor doelsturing op een rij gezet en ook aangegeven wat de belangrijke aandachtpunten zijn. Die hadden kunnen helpen om het voorstel te concretiseren.
Nieuwe opkoopregeling
In het voorstel wordt gevraagd om nieuwe opkoopregelingen. Die opkoopregelingen zijn echter duur en maar beperkt effectief. Dat geldt helemaal als die opkoopregelingen niet gericht worden ingezet. Hoewel de verkoper soms heel blij kan zijn met zo’n regeling, levert het de belastingbetaler niet zoveel op. Bedrijven uitkopen die toch al gaan stoppen is helemaal een dure optie. Publieke middelen voor opkoop kunnen het beste gericht worden ingezet voor die gevallen waarin het stopzetten van een specifiek bedrijf veel oplevert of waarin onteigeningen nodig is.
Rekenkundige ondergrens
In het voorstel wordt ook een opmerking gemaakt over het invoeren van een rekenkundige ondergrens. Dat begrip staat voor het idee om generiek een deel van de depositie buiten beschouwing te laten in de passende beoordeling van nieuwe activiteiten of uitbreiding van bestaande activiteiten. Die verwijzing is ten eerste vreemd omdat een rekenkundige ondergrens niets te maken heeft met maatregelen om de uitstoot van ammoniak te verminderen. Ten tweede is het vreemd dat publieke organisaties een voorstel doen voor het invoeren van een nieuw geitenpaadje dat zich primair richt op het verlenen van vergunningen in plaats van een integrale oplossing. Ten derde komt het hele idee van een rekenkundige ondergrens voort uit een verkeerde voorstelling van zaken met betrekking tot onzekerheden in modellen en de rol van die onzekerheden bij de beoordeling van mogelijke effecten.