Begin december 2025 werd de Elfde Voortgangsrapportage Natuur gepubliceerd. Daarin wordt gerapporteerd hoe het staat met de omvang en kwaliteit van natuur in Nederland. In de rapportage staan ook de eerste inzichten uit de Habitatrichtlijnrapportage 2025. Die Habitatrichtlijnrapportage wordt elke zes jaar gemaakt om te monitoren hoe het gaat met beschermde soorten en habitats.
Voor die monitoring wordt gebruik gemaakt van het concept Staat van Instandhouding (SvI). De SvI is een indicator die aangeeft hoe een populatie van een bepaalde soort er voorstaat, wat de kwaliteit is van een habitat gaat én of de omstandigheden zodanig zijn dat een soort of habitattype ook op lange termijn in stand kan worden gehouden. Het doel van Habitatrichtlijn is om soorten en habitats in een gunstige staat van instandhouding te brengen én te behouden. De ondergrens is het verslechteringsverbod. Hieruit volgt dat de ecologische kenmerken van het gebied niet slechter mogen worden dan het niveau ten tijde van de aanwijzing als beschermingszone. Indien een betere staat is bereikt, bijvoorbeeld door natuurherstel, uitbreiding van het natuurgebied of natuurlijke ontwikkelingen, moet deze verbeterde staat als referentie dienen.
De staat van instandhouding wordt beoordeeld op grond van vier aspecten die in samenhang moeten worden beoordeeld. Alle vier moeten in orde zijn om te kunnen spreken van een gunstige staat van instandhouding. Voor habitattypen gaat het om:
- Verspreidingsgebied
- Oppervlakte
- Structuur & Functie
- Toekomstperspectief
Het verspreidingsgebied of areaal heeft betrekking op het gebied waar een bepaalde soort of habitat voorkomt. Sommige soorten komen door heel Nederland voor, andere zijn alleen in bepaalde delen te vinden. Een klein verspreidingsgebied betekent meestal dan situatie kwetsbaarder is dan bij een groter verspreidingsgebied.
Vervolgens wordt gekeken naar het oppervlakte van het verspreidingsgebied waar een habitat daadwerkelijk aanwezig is. Een groter oppervlak is gunstiger dan een klein oppervlak. Bij soorten gaat het om de populatieomvang en de trend daarin.
Het derde aspect betreft de structuur en functie van een habitat. Structuur verwijst naar de belangrijke componenten van een leefgebied, zoals kwaliteit van bodem en water, de aanwezigheid van specifieke landschapselementen, de aanwezigheid van allerlei soorten, of meer specifieke zaken die van belang zijn zoals de aanwezigheid van dood hout. Functie heeft betrekking op allerlei ecologische processen die van belang zijn voor het betreffende habitat. Het kan gaan om zaken zoals getij, periodieke overstromingen, maar ook processen zoals bestuiving, begrazing, of allerlei interacties tussen soorten. Structuur en functie zijn uiteraard onlosmakelijk met elkaar verbonden. Bij dit aspect gaat het dan ook om het beoordelen van de hele ecologische samenhang. Daarbij zijn ook soorten die niet specifiek zijn genoemd in de Vogel- of Habitatrichtlijn van belang. Door deze focus op het hele ecosysteem beschermen de richtlijnen de facto dus alle soorten en ook de interacties tussen die soorten en de samenhang met hun fysieke leefomgeving. Ook de ruimtelijke samenhang is van belang als het gaat om structuur en functie. Een groot gebied is minder kwetsbaar voor verstoring dan een klein gebied. Versnippering van het leefgebied betekent dat een soort kwetsbaar wordt. Het risico op (lokaal) uitsterven is groter als gebieden ver uit elkaar liggen, er geen ecologische verbindingszones zijn en processen als migratie en dispersie sterk beperkt worden. Het risico op lokaal uitsterven is groter bij soorten die weinig mobiel zijn. Al deze zaken moeten dus in samenhang worden beoordeeld.
Het toekomstperspectief is een inschatting van de ontwikkeling van een habitat of populatie op langere termijn. Daarvoor moet worden bepaald welke drukfactoren er zijn en wat de impact is van die drukfactoren. Een drukfactor als overmatige stikstofdepositie betekent bijvoorbeeld dat er een risico is dat de kwaliteit van het habitat kan verslechteren en dat het toekomstperspectief ongunstig is.
De vier aspecten hangen sterk met elkaar samen; het gaat om het beoordelen van de kwaliteit, duurzaamheid en veerkracht van ecologische systemen waarin alle aspecten en hun samenhang relevant zijn.
De zes jaarlijkse habitatrichtlijnrapportage is een beoordeling van de staat van instandhouding op landelijk niveau. De staat van instandhouding kan ook op internationaal, regionaal of gebiedsniveau worden bepaald. En ook deze niveaus hangen met elkaar samen. De gunstige staat van instandhouding op landelijk niveau kan immers alleen worden gerealiseerd als de staat van instandhouding op gebiedsniveau op orde is.
De habitatrichtlijnrapportage 2025 laat zien dat de staat van instandhouding van de meeste habitats (zeer) ongunstig is. Dat wordt onder meer veroorzaakt door een klein en versnipperd oppervlak en drukfactoren zoals stikstofdepositie, verdroging en vervuiling door pesticiden. Zoals al decennialang uit allerlei studies blijkt: een groot deel van de Nederlandse natuur staat onder druk.
Die kwetsbare situatie heeft als gevolg dat sommige habitats verder verslechteren en dat populaties van soorten achteruitgaan of lokaal verdwijnen. En dat betekent dan weer dat de staat van instandhouding van die habitats of soorten verslechterd. De nieuwe situatie is nog kwetsbaarder dan de vorige. Er is sprake van een negatieve spiraal waardoor een habitat of een populatie van een soort steeds kwetsbaarder wordt.
Die verslechtering kan zichtbaar worden in de monitoring van allerlei soorten, maar kan ook meer sluipend gaan. De gevolgen van overmatige stikstofdepositie stapelen zich op en worden groter naarmate er langer sprake is van een veel te hoge stikstofdepositie, maar worden vaak pas op de langere termijn echt goed zichtbaar. En soms zijn we dan alweer vergeten hoe rijk de biodiversiteit van een ecosysteem ooit was.
Een kwetsbare situatie kan ook betekenen dat habitats of soorten nog gevoeliger worden voor schokken zoals een overstroming of een periode van droogte. Een gezond en robuust ecosysteem kan een dergelijke schok gemakkelijker opvangen, terwijl dezelfde schok ervoor kan zorgen dat een kleine en kwetsbare populatie compleet verdwijnt.
De kwetsbaarheid van habitats met een ongustige staat van instandhouding wordt goed zichtbaar als de monitoringsresultaten van de periode 2019-2024 wordt vergeleken met de resultaten van de vorige monitoringsperiode (2013-2018). Er zijn meer habitats waarvan de staat van instandhouding zeer ongunstig is en ook is de trend bij meer habitats negatief. Meer dan de helft van alle habitats is verslechterd! En die verslechtering is logischerwijs te zien bij de habitats die in de vorige rapportageperiode een ongunstige staat van instandhouding hadden.
Natuurherstel werkt
Is het beeld dan alleen maar negatief? Gelukkig niet. Bij een aantal habitats is de situatie stabiel of is verbetering te zien. Dat positieve beeld is ook te zien bij een aantal soorten van de Habitatrichtlijn en bij een deel van de vogelsoorten. De situatie van habitats en soorten met een gunstige staat van instandhouding is over het algemeen stabiel. Die uitkomst is te verwachten op basis van deze indicator die immers een maat is voor de duurzaamheid en veerkracht van een ecosysteem. Daarnaast is bij een aantal habitats het effect van herstelmaatregelen te zien. Bij die habitats hebben de maatregelen geholpen om de staat van instandhouding te verbeteren of om verdere verslechtering tegen te gaan. Herstel kost echter tijd, een deel van de maatregelen heeft slechts een tijdelijk effect en zolang belangrijke drukfactoren niet worden aangepakt, is het effect van herstelmaatregelen vaak beperkt.
Aanvullende herstelmaatregelen, het aanpakken van drukfactoren en het uitbreiden van areaal en oppervlakte zijn dan ook cruciaal om te zorgen dat soorten en habitats ook in de toekomst aanwezig zijn. Daarom is afgesproken om te zorgen dat zo’n 30% van het land- en wateroppervlak wordt aangewezen als beschermd natuurgebied en dat uiterlijk in 2030 herstelmaatregelen moeten worden genomen voor minstens 30% van de totale oppervlakte van alle habitattypen die niet in goede toestand verkeren. Verschillende provincies zijn inmiddels bezig om zowel met generiek beleid als een gebiedsgerichte aanpak belangrijke drukfactoren als stikstofdepositie en verdroging aan te pakken. Veel beheerplannen voor Natura 2000-gebieden worden in de komende jaren geactualiseerd en daarbij zal veel aandacht uitgaan naar maatregelen die verdere verslechtering moeten tegengaan. Dankzij juridische procedures zal het gebruik van pesticiden op heel veel plaatsen in Nederland aan banden moeten worden gelegd.
Na een jaar van stilstand en afbraak in het nationale beleid, zal de volgende Voortgangsrapportage eind 2026 waarschijnlijk opnieuw een verslechtering laten zien. Hopelijk wordt het beeld daarna wat positiever.
Bron: De Natuurherstelverordening: Buitenkans voor systeemherstel


