Op 19 maart 2026 publiceerde Wageningen Universiteit het rapport ‘De Nederlandse stikstofcrisis: Van verwarring naar verbinding‘. Het rapport is gericht op het inzetten van doelsturing voor de vermindering van uitstoot van ammoniak uit de veehouderij. Daarnaast beschrijven de auteurs hun eigen perspectief op de stikstofproblematiek, doen ze een oproep voor meer publieke financiering voor de veehouderijsector en stellen ze voor een rekenkundige ondergrens van minimaal 1 mol/ha/jaar in te voeren en alle PAS-melders een generaal pardon te geven.
In tegenstelling tot wat de titel en inleiding van het rapport doen vermoeden, creëert het rapport vooral weer extra ruis. De grootste tekortkoming van het rapport is dat het een verkeerde voorstelling van zaken geeft met betrekking tot het ontstaan van de stikstofproblematiek. Op vele punten wordt slechts het halve verhaal verteld en worden zaken verdraaid. Daarmee creëert het rapport onnodige verwarring over modellen, rekenkundige ondergrenzen, KDWs en het begrip additionaliteit. Het voorstel om gebieds- of bedrijfsgericht te gaan sturen op vermindering van de uitstoot kan op zichzelf een zinvolle aanpak zijn, maar niet als vervanging van de eveneens noodzakelijke vergunningverlening. Het inzetten van beheerplannen voor het verdelen van schaarse milieugebruiksruimte zoals wordt voorgesteld is niet nodig en juridisch complex. Zonering kan nuttig zijn, maar op veel plekken is 500 meter niet voldoende.
Het ontbreekt in het rapport aan een reflectie op de complexiteit die samenhangt met het ontwikkelen van gebieds- en bedrijfsspecifieke emissiereducties en het bepalen én verdelen van milieugebruiksruimte. Ook wordt geen aandacht besteed aan de beperkingen van doelsturing, de uitdagingen op gebied van toezicht en handhaving en op de risico’s van fraude en andere ongewenste effecten. Het rapport doet een groot beroep op vertrouwen in de veehoudersector, maar de ervaringen uit het verleden leren dat politiek en maatschappij alle redenen hebben voor gezond wantrouwen[1].
Verkeerde voorstelling van zaken
De belangrijkste kritiek is dat het rapport ‘De Nederlandse stikstofcrisis, Van verwarring naar verbinding’ een verkeerde voorstelling geeft van relevante beleidsontwikkelingen, de oorzaak van de stikstofproblematiek en belangrijke begrippen en kaders. De auteurs beschrijven een beleidscontext en praktijk die niet op die manier bestaan. Het begint al met de eerste zin van de inleiding:
“De stikstofproblematiek is de afgelopen jaren uitgegroeid tot één van de hardnekkigste knelpunten voor ruimtelijke ontwikkeling in Nederland, met stilstand van projecten in de landbouw, industrie, mobiliteit en bouw. Dat komt door de verplichting van Europese lidstaten om aangewezen habitattypen in Natura 2000- gebieden in een ‘goede staat van instandhouding’ te brengen en te houden, onder andere door de milieucondities te verbeteren” (p. 8).
Dit is een bewust verkeerde voorstelling van zaken. Het is niet de verplichting om natuur- en milieu te beschermen die de oorzaak is van de problematiek, maar het feit dat natuur- en milieu onder druk staan als gevolg van de hoge uitstoot van ammoniak én het feit dat Rijk en provincies in de afgelopen decennia te weinig hebben gedaan om milieu te beschermen en natuur te herstellen. Het falen van de overheid hangt veelal samen met de wens om zoveel mogelijk ruimte te geven aan de veehouderijsector[2]. Niet toevalligerwijs de sector die verantwoordelijk is voor het grootste deel van de stikstofproblematiek.
Hoewel het rapport de indruk wil wekken dat er bij het stikstofproblematiek sprake is van verwarring, is het probleem in essentie heel eenvoudig. De uitstoot van ammoniak (mest) uit de veehouderij in Nederland is (al decennialang) veel te hoog en dat heeft grote gevolgen voor milieu, natuur en gezondheid. Een van die problemen is overmatige stikstofdepositie waardoor de natuurkwaliteit verslechtert en de biodiversiteit achteruitgaat. Dat probleem is al decennialang bekend, maar noodzakelijke maatregelen bleven en blijven structureel achter bij wat nodig is om het probleem op te lossen.
De verwarring over de stikstofproblematiek komt vooral voort uit het feit dat sommige partijen steeds opnieuw proberen om twijfel te zaaien over de toestand van milieu en natuur, de gevolgen van de uitstoot van ammoniak, de gebruikte modellen en concepten en de regelgeving. Deze twijfel frustreert het politieke en maatschappelijke debat. Precies om die reden publiceerde het Planbureau voor de Leefomgeving in 2008 al een rapport over de ammoniakproblematiek in Nederland.
De vermeende juridische problemen hangen samen met die omvang van vervuiling. Vanwege de hoge uitstoot van ammoniak en de negatieve gevolgen daarvan voor natuur en milieu kan niet zomaar toestemming worden gegeven aan projecten die voor een toename van de uitstoot zorgen. Dat zou dweilen met de kraan open zijn. “Niet alles kan“ gaf het Adviescollege Stikstofproblemantiek (Commissie Remkes) in 2019 al aan. Het is noodzakelijk keuzes te maken over de activiteiten die wel worden toegestaan en maatregelen nemen om de uitstoot fors te verminderen. Juridisch is er in die zin dan ook geen probleem.
De beperkingen voor het toestaan van nieuwe activiteiten zoals bouwprojecten komen voort uit het feit dat de huidige uitstoot fors hoger is dan de milieugebruiksruimte. Het begrip milieugebruiksruimte is in deze context een maat voor de maximale uitstoot die is toegestaan om te voorkomen dat natuur verslechtert. Die milieugebruiksruimte wordt nu fors overschreden. Grofweg moet de uitstoot gehalveerd worden om verdere verslechtering van natuur te voorkomen. En dat moet in de komende jaren gebeuren.
De stikstofproblematiek wordt vooral veroorzaakt door de landbouw en specifiek de veehouderij. “Als alleen de binnenlandse bronnen in beschouwing worden genomen, dan is de bijdrage van de landbouw 74%”. Zolang veel ruimte wordt gegeven aan de veehouderijsector kunnen andere activiteiten die bijdragen aan de stikstofdepositie dus maar beperkt worden gestaan.
Het is overigens een misverstand dat Nederland “op slot” zit als gevolg van de stikstofproblematiek. Vergunningverlening is niet altijd eenvoudig, maar weldegelijk mogelijk. In tegenstelling tot wat het rapport beweert, worden allerlei bouwprojecten vergund en uitgevoerd en kunnen bedrijven innoveren (mits dat maar niet leidt tot de toename van de uitstoot[3]). PAS-melders kunnen zelf maatregelen nemen om de gevolgen van de eerdere uitbreiding ongedaan te maken. Niet alles kan, maar veel plannen en projecten gaan gewoon door.

https://data.pbl.nl/api/embed/v2/infographics/files/0507_002g_clo_16_nl.png
In het rapport wordt verder de suggestie gewekt dat er in de beleidscontext een cultuur van wantrouwen zou zijn. Die suggestie wordt niet onderbouwd en blijkt ook niet uit de wijze waarop beleid wordt uitgevoerd of uit toezicht en handhavingspraktijken. Al heel lang is het uitgangspunt dat de overheid vooral ruimte moet geven aan de sector vanuit de veronderstelling dat die de milieuproblemen wel oplost. Dat heeft bij herhaling geleid tot het afzwakken van regels die bedoeld waren om natuur, milieu en gezondheid te beschermen en in het vooruitschuiven van beoogde doelen.
Dat veel agrariërs desondanks weinig vertrouwen in de overheid lijken te hebben, heeft met verschillende zaken te maken. Ten eerste worden beleid- en regelgeving regelmatig aangepast omdat de aanpak niet effectief of zelfs illegaal blijkt te zijn of omdat het politieke discours veranderd. Voor individuele bedrijven kan dat als lastig en onvoorspelbaar worden ervaren. Daarnaast lijkt de weerstand tegenover de overheid ook actief te worden gepromoot door (politieke) partijen die het beleid graag nog verder versoepelen of die lobbyen voor meer subsidie voor de veehouderijsector.
Daarnaast is opvallend dat het rapport vertrouwen nogal eenzijdig benaderd. Het gaat alleen over het vertrouwen van agrariërs in de overheid. Voor een beter begrip van vertrouwen is het van belang mee te nemen dat ook heel veel andere mensen hun vertrouwen in de overheid verloren hebben. Dat geldt bijvoorbeeld voor mensen en organisaties die zich zorgen maken over natuur en milieu. Niet voor niets zien zij zich steeds vaker genoodzaakt om de wettelijke ondergrens via rechtszaken te borgen. Zij zien namelijk dat de overheid op dit vlak structureel steken laat vallen en bij herhaling probeert om wettelijke kaders te omzeilen. Bovendien zal het maatschappelijk vertrouwen in de veehouderijsector laag zijn omdat er over het algemeen te weinig terecht komt van beloften over het verminderen van milieuvervuiling. Verder speelt nog mee dat het vertrouwen in de wetenschap afneemt doordat bewust twijfel wordt gecreëerd over de effecten van stikstofdepositie, over de kwaliteit van natuur, over modellen, over belangrijke concepten en over het beleid en bijbehorende regelgeving. Al die zaken zijn van belang voor een goed begrip van de huidige situatie en de ontwikkeling van oplossingen.
De oorzaak van de stikstofproblematiek: falend beleid
Om verdere verslechtering van natuur te voorkomen, zal de uitstoot van ammoniak fors naar beneden moeten. De commissie Remkes adviseerde dat een halvering van de uitstoot van ammoniak in 2030 ten opzichte van 2019 de minimale inzet zou moeten zijn. Dat is ook indirect het bevel van de Rechtbank Den Haag in de rechtszaak die Greenpeace had aangespannen omdat de Staat structureel te weinig doet om natuur te beschermen tegen overmatige stikstofdepositie. Die halvering is prima mogelijk, maar dan moeten er uiteraard wel maatregelen genomen worden en precies op dat punt gaat het mis. Niet geheel toevallig zou de totale uitstoot van ammoniak met die halvering aardig in de buurt komen van het beoogde doel dat in de jaren tachtig en negentig was opgenomen in het Natuur en Milieubeleidsplan (50 kiloton per jaar)[4]. Destijds had de overheid nog de ambitie om dat doel in 2010 gerealiseerd te hebben.
Als het bijbehorende beleid was uitgevoerd en het doel was behaald, of in ieder geval benaderd, was er in Nederland nooit sprake geweest van een “stikstofproblematiek”. Het probleem van overmatige stikstofdepositie was dan onder controle geweest. Er waren dan ook veel minder problemen geweest met mest, waterkwaliteit en nitraat in het drinkwater. Ook was de achteruitgang van biodiversiteit dan waarschijnlijk niet zo enorm geweest. En ook hadden bouwprojecten en andere initiatieven dan nooit problemen gehad met een “stikstofvergunning”.
In plaats van effectieve maatregelen werd echter ingezet op versoepeling van regelgeving en een reeks constructies waarmee de uitbreiding van veehouderijbedrijven werd gefaciliteerd. Als gevolg van deze “geitenpaadjes” bleef de noodzakelijke daling van de uitstoot flink achter bij het beoogde doel en in de periode 2005-2020 was er zelfs helemaal geen sprake meer van een afname. Na het afschaffen van het melkquotum nam de uitstoot zelfs toe. Valse beloften over “innovatie” en een vrijwel eindeloze subsidiestroom faciliteerde schaalvergroting, maar hielden de daarmee samenhangende vervuiling van bodem, water en lucht in stand.
Waarschuwingen over het niet halen van de doelen van de Kaderrichtlijnwater, de Nitraatrichtlijn en de Vogel- en Habitatrichtlijn werden structureel genegeerd. De problemen verdwenen niet vanzelf.
Wat moet er nu gebeuren?
Het doel van het stikstofbeleid is om verslechtering van natuur als gevolg van overmatige stikstofdepositie tegen te gaan. Daarvoor zullen de emissies van stikstofoxiden en met name ammoniak fors verminderd moeten worden. Elk beleid is dus per definitie emissiebeleid. Dat was ook het uitgangspunt van de Wet stikstofreductie en natuurherstel (2020) waarmee de KDWs in de wet zijn opgenomen en het Nationaal Programma Landelijke Gebied (2022) waarin per provincie duidelijke doelen werden gegeven voor de vermindering van ammoniakemissies.
| In de memorie van toelichting op de Wet stikstofreductie en natuurherstel is te lezen dat de structurele aanpak waartoe het toenmalige kabinet had besloten, bestond uit de volgende elementen, inclusief bronmaatregelen om emissies te verminderen: – het opnemen in de wet van een resultaatsverplichtende omgevingswaarde voor het verminderen van de depositie van stikstof op daarvoor gevoelige habitats in Natura 2000-gebieden; – een programma stikstofreductie en natuurverbetering met bron– en natuurmaatregelen om te voldoen aan de omgevingswaarde en om de instandhoudingsdoelstellingen voor de Natura 2000-gebieden te verwezenlijken; – wat betreft het realiseren van instandhoudingsdoelstellingen op gebiedsniveau is er een directe wisselwerking tussen het programma en de beheerplannen; – in het programma worden inspanningsverplichtende tussendoelen opgenomen met het oog op het tijdig voldoen aan de omgevingswaarde en met het oog op de in het programma opgenomen maatregelen voor het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen; – periodieke monitoring en bijsturing van de maatregelen en het programma in zijn integraliteit en rapportage daarover; – een partiële vrijstelling van de Natura 2000-vergunningplicht wat betreft de gevolgen van de stikstofdepositie door activiteiten van de bouwsector. |
Het doel is erop gericht om de stikstofdepositie zoveel mogelijk onder de kritische depositiewaarden te brengen. Dat was ook het uitgangspunt van de Commissie Remkes en het Nationaal Programma Landelijk Gebied. In juridische termen heeft het bevel van de Rechtbank Den Haag in de Greenpeace-zaak dat vertaalt naar: “De rechtbank beveelt de Staat het nog niet gerealiseerde deel van het stikstofdoel van 50% van het areaal stikstofgevoelige natuur uiterlijk op 31 december 2030 onder de toepasselijke KDW-en te brengen, op zodanige wijze dat daarbij steeds prioriteit wordt gegeven aan de aanpak van de stikstofdepositie op de habitats en leefgebieden vermeld op de Urgente Lijst, wat erop neerkomt dat 32% van het areaal aan stikstofgevoelige natuur op de Urgente Lijst onder de KDW moet worden gebracht, op straffe van verbeurte van een dwangsom van 10 miljoen euro.” Dit bevel is het minimale dat op korte termijn moet worden gerealiseerd.
Dit doel kan worden gerealiseerd met een combinatie van generieke en gebiedsgerichte maatregelen. De balans daartussen kan verschillend zijn en enige optimalisatie is mogelijk. Het rapport “Naar een ontspannen Nederland” laat bijvoorbeeld zien dat een forse verminderen van de uitstoot van de veehouderij in de Gelderse Vallei en de Veluwe-enclave betekent dat de opgave in de rest van Nederland minder groot zal zijn. Analyses uitgevoerd door GisPoint.com geven inzicht in mogelijke scenario’s.

Het rapport van GISpoint.com concludeert dat de zones voor gebiedsgerichte beleid zo’n 1 tot 2 kilometer breed moeten zijn om daadwerkelijk effectief te zijn. Wanneer desondanks toch voor kleinere zones (b.v. 500 meter) wordt gekozen, zal het benodigde generiek reductiepercentage (aanzienlijk) groter zijn. Het rapport concludeert ook dat “de ruimtelijke verdeling van de opgave conform het NPLG nog steeds een robuuste basis vormt, waarbij de depositiepotentie-scenario’s in dit rapport bevestigen dat met de juiste uitvoering 74% onder KDW in 2030 technisch gezien binnen bereik is, en zeker in 2035 te behalen is” (p. 30).
De complexiteit van doelsturing
Doelsturing kan een rol kan spelen bij het verminderen van de uitstoot van ammoniak uit de landbouw. Desalniettemin is het belangrijk om de complexiteit en risico’s van doelsturing niet te onderschatten en te beseffen dat het vooral maatregelen zijn die complementair aan zijn andere beleid en de bestaande vergunningverleningspraktijk moet worden ingezet. Doelsturing is een verzamelnaam voor een set maatregelen waarvan niet duidelijk is of ze effectief zijn. Ook is niet duidelijk hoe ze in samenhang tot het bereiken van de doelen moeten leiden omdat niet alleen de maatregelen niet gedefinieerd zijn, maar ook niet wie waarvoor verantwoordelijk is en wie waarop kan worden aangesproken. Daarom zullen pogingen tot invoeren vooral discussie oproepen over de doelen en de termijn waarop die gerealiseerd moeten zijn. Het is de vraag of bedrijven en sectorpartijen wel willen voldoen aan de doelen die de overheid voorstelt. Daarnaast moet er een systeem komen waarmee op bedrijfsniveau kan worden beoordeeld of inderdaad wordt voldaan aan de doelen. Tevens moet handhaving mogelijk zijn als dat niet het geval is. Bovendien vraagt het om een flinke wijziging van de huidige aansturing en zo’n verandering kost tijd. De beschikbare tijd is kort (doelen moeten in 2030 zijn gerealiseerd) omdat veel tijd verloren is gegaan. Als laatste kan nog worden opgemerkt dat doelsturing de systematiek van vergunningverlening niet kan vervangen. Vergunningverlening is noodzakelijk om te waarborgen dat activiteiten natuur niet (verder) beschadigen. Doelsturing is een middel om de huidige uitstoot te verminderen.
Al laatste punt kan nog worden genoemd dat de voorgestelde aanpak sterk uitgaat van de huidige situatie en onvoldoende inzet op een transitie van het landelijk gebied en specifiek van het systeem van voedselvoorziening. Juist die transitie zou centraal moeten staan in het beleid. Doelsturing is dus geen silver bullet, maar slechts een van de instrumenten die ingezet kunnen worden.
Geen nieuwe geitenpaadjes
In combinatie met het pleidooi voor doelsturing en het creëren van verwarring over de stikstofproblematiek stelt het rapport ook nog voor “de invoering van een rekenkundige ondergrens van minimaal 1 mol (en een vergelijkbare of hogere drempelwaarde voor kleine projecten)” (p. 36). Met zo’n rekenkundige ondergrens wordt bewust een deel van de depositie buiten beschouwing gelaten en dat is in strijd met de verplichtingen van de Habitatrichtlijn. De rekenkundige ondergrens is na het Toetsingskader Ammoniak, het Programma Aanpak Stikstof en de onzorgvuldig uitgewerkte Bouwvrijstelling opnieuw een poging om die verplichtingen te omzeilen.
Het is belangrijk om te beseffen dat het politiek besluit om een rekenkundige ondergrens te gaan hanteren betekent dat veel activiteiten (inclusief veehouderijbedrijven met flink wat dieren) niet meer vergunningplichtig zouden zijn omdat ze minder dan 1 mol/ha/jr. stikstofdepositie veroorzaken. Dat is ecologisch een risico aangezien overmatige stikstofdepositie het probleem is van de optelsom van vele kleintjes. Ook juridisch is het een probleem omdat alle gevolgen van een project moeten worden beoordeeld dus ook gevolgen die op zichzelf klein zijn, maar in samenhang met andere projecten wel significant. Modelmatig is de rekenkundige ondergrens 0 aangezien de depositie samenhangt met de omvang van de uitstoot en kleine deposities net zo betrouwbaar kunnen worden ingeschat als grotere deposities.
Voor het faciliteren van de vergunningverlening voor woningbouwprojecten is het logischer om te werken met een drempelwaarde specifiek voor bouwprojecten met een beperkte en vaak tijdelijke uitstoot. Dat was ook het uitgangspunt van de bouwvrijstelling. Die hield juridisch echter geen stand omdat de werking met opzet werd opgerekt tot projecten met een flinke uitstoot én omdat het ontbrak aan een pakket maatregelen waarmee negatieve effecten werden voorkomen. Daardoor kon de Afdeling Bestuursrecht van de Raad van State niet anders dan een streep zetten door deze partiële vrijstelling. Een politieke blunder met enorme gevolgen voor een groot deel van Nederland, maar niet voor degenen die deze blunder hebben veroorzaakt.
Samenvattend
De beloften dat met doelsturing, technieken en vakmanschap de uitstoot van ammoniak verminderd kan worden, zijn na decennia van falend beleid op zichzelf niet heel geloofwaardig meer. Als het inderdaad allemaal zo eenvoudig was, waarom is de uitstoot dan nog altijd veel te hoog? Het antwoord op die vraag heeft niets te maken met ecologie, modellen of regelgeving, maar met politieke keuzes en het daarmee verbonden wetenschappelijk discours zoals professor van der Ploeg in zijn boek ‘Gesloten vanwege stikstof’ laat zien.
Onder het mom van innovatie en technieken om de uitstoot te verminderen is het beleid dat direct of indirect gericht was op een vermindering van de uitstoot van ammoniak afgezwakt, geschrapt of vervangen door subsidies voor maatregelen die veel minder effectief waren dan op voorhand beloofd. Daarnaast is met een reeks van geitenpaadjes de uitbreiding van veehouderijbedrijven gefaciliteerd[5]. Als gevolg daarvan is de vermindering van de uitstoot van ammoniak enorm achtergebleven bij wat nodig is, zijn veel beschermde habitattypen verslechterd en zijn de maatschappelijke gevolgen en kosten flink opgelopen.
Doelsturing kan een nuttig instrument zijn om de uitstoot van ammoniak te verminderen, maar zal in combinatie met andere instrumenten zoals het korten van productierechten, uitkoopregelingen, het intrekken van vergunningen en handhaving ingezet moeten worden. Een pleidooi voor doelsturing kan ook prima zonder een verkeerde voorstelling te geven over het beleid en de concepten en kaders die daarin een rol spelen. Dat zou het een stuk geloofwaardiger hebben gemaakt.
Corrigendum bij het wur-rapport
Hieronder wordt ingegaan op uitspraken uit het rapport ‘De Nederlandse stikstofcrisis Van verwarring naar verbinding’ die onjuist of verwarrend zijn. In vet wordt een toelichting gegeven op de uitspraak, die uitspraak is cursief is weergegeven.
p. 5 “die de ruimtelijke ontwikkeling al jaren op slot zet”: Nederland zit niet op slot, de ruimtelijke ontwikkeling zit niet op slot. Bijna alle bestaande activiteiten gaan onverminderd door en ook nieuwe plannen en projecten worden vergund en uitgevoerd. Alleen projecten die zorgen voor meer stikstofdepositie kunnen niet zomaar worden toegestaan.
“Tot slot moet de vergunningverlening genormaliseerd worden. Door de koppeling met de onzekere depositieberekeningen met AERIUS op bedrijfsniveau los te laten en te sturen op een aantoonbare bijdrage aan de emissiereductiedoelen in een gebied krijgt iedere ondernemer een duidelijk doel”. Hier maken de auteurs een karikatuur van vergunningverlening en vooral van het werk van Rechtbanken, de Raad van State en de rechtsstaat. Daarnaast wordt voorbijgegaan aan het verschil tussen het beoordelen van nieuwe plannen en projecten (vergunningverlening) en het sturen om vermindering van uitstoot (beleid). Voor vergunningverlening is het belangrijk om uit te sluiten dat een project zorgt voor een toename van de stikstofdepositie. Daarvoor wordt een model gebruikt dat onzekerheden kent. Die onzekerheden zijn klein en hebben eerder tot gevolg dat de daadwerkelijke depositieverandering als gevolg van een project wordt onderschat dan overschat. Er kan uiteraard voor gekozen worden om AERIUS niet meer te gebruiken, maar dat betekent de facto dat geen enkel projecten dat zorgt voor een toename van de uitstoot van ammoniak of stikstofoxiden kan worden vergund.
p. 6. “De huidige crisis hangt voor een groot deel samen met de verwarring van ecologische, milieukundige, sociaaleconomische en juridische aspecten”: De huidige crisis hangt voor een groot deel samen met de mate van vervuiling en falend beleid.
p. 6 “Deze aspecten zijn onderling verstrengeld geraakt vanuit onrealistische verwachtingen van rekenmodellen en de ecologische maatstaf van kritische depositiewaarden, tegenstrijdige belangen bij de toepassing van technische (veelal innovatieve) oplossingen en de inzet van niet-effectieve beleidsinstrumenten die reactief zijn op voorafgaande correcties in de jurisprudentie zonder dat zij proactief zijn op het oplosbare stikstofprobleem” Hier wordt ten onrechte gewezen naar modellen en ecologische maatstaven als (mede)oorzaak van het probleem. Modellen en ecologische maatstaven zijn slechts ondersteunend en zijn daarvoor voldoende betrouwbaar en geschikt. Het probleem is de grote mate van vervuiling en de negatieve effecten daarvan. Dat de genoemde aspecten onderling zijn verbonden, is een essentieel aspect van onderwerpen als milieuvervuiling en natuurbescherming. De metafoor van een Gordiaanse knoop is dus misleidend in deze context.
p. 6 “Door een gebrekkige aanpak van het milieukundige en het ecologische probleem in het huidige beleid wordt op basis van het voorzorgbeginsel een zware wissel getrokken op de bewijslast van plannen en projecten om te beoordelen of het ‘er wel bij past’ gegeven de gevolgen van stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied. Dit additionaliteitsvereiste is verworden tot een complexe en bijna onmogelijke bewijsopdracht, waardoor zelfs projecten die stikstofemissies vergaand reduceren moeilijk kunnen worden vergund”. De implementatie van de Habitatrichtlijn in Nederland is het beste te omschrijven als een continue poging om de inzet te minimaliseren en verplichtingen te omzeilen. Omdat niet alles kan (zie Remkes), kan nieuwe vervuiling niet kan worden toegestaan zolang structureel te weinig wordt gedaan aan het verminderen van vervuiling. Dat is juridisch heel eenvoudig, maar voor sommige partijen lastig te accepteren. De continue pogingen om de minimale verplichtingen met betrekking tot het tegengaan van verslechtering te omzeilen hebben het dossier onnodig complex gemaakt. Dat met het PAS 10.000 uitbreidingen van veehouderijbedrijven zijn toegestaan terwijl dat ecologisch en juridisch eigenlijk niet kon en mocht lijkt iedereen alweer vergeten.
Het additionaliteitsvereiste waar recente uitspraken van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State specifiek op wijzen, vraagt heel simpel om een geloofwaardig pakket van maatregelen waarmee verslechtering van natuur als gevolg van overmatige stikstofdepositie wordt voorkomen. Dat is ook de essentie van het bevel van de Rechtbank Den Haag in de zaak die Greenpeace had aangespannen. Het is prima mogelijk om aan dat bevel te voldoen, maar niet zolang het noodzakelijke pakket maatregelen ontbreekt. Het is voor sommige partijen vervelend dat met deze uitspraken de onderbouwing van besluiten over projecten die bijdragen aan de stikstofdepositie nog wat lastiger is geworden, maar ook dit is een rechtstreeks gevolg van het falende beleid om de uitstoot van ammoniak te verminderen en de wens om steeds opnieuw toch ruimte te geven aan de veehouderijsector.
p. 6 :”In de Nederlandse vergunningensystematiek is het doel van verlaging van de stikstofdepositie (milieukunde) op ongelukkige wijze verknoopt geraakt met de resultaatsverplichting van natuurherstel (ecologie)” Deze uitspraak is aantoonbaar onjuist. In het kader van vergunningverlening moet worden uitgesloten dat een nieuwe activiteit significante effecten heeft op beschermde natuur. Dat staat los van verplichtingen voor het herstellen van natuur (die ook pas met de Natuurherstelverordening zijn omgezet van een inspannings- naar een resultaatverplichting).
p. 7 “Zolang een plan of project binnen de eigen emissieruimte blijft, is een toets op additionaliteit van diens emissie overbodig. De emissieruimte biedt namelijk op voorhand zekerheid over het verslechteringsverbod van lid 2 van artikel 6 Habitatrichtlijn”. Dit is een verkeerde voorstelling van zaken. Voor een plan of project is immers geen eigen emissieruimte. Die kan ook niet op voorhand via het beheerplan worden toegekend omdat het 1) gaat over de totale omvang van de depositie niet alleen die van afzonderlijke projecten, 2) de totale uitstoot eerst naar beneden moet en daarvoor ook concrete maatregelen moeten worden uitgevoerd, 3) niet alle toekomstige plannen en projecten bekend zijn op het moment dat een beheerplan wordt opgesteld. Kort gezegd vraagt additionaliteit om concrete en effectieve maatregelen die ook daadwerkelijk worden uitgevoerd. Alleen het vastleggen van ambities is niet voldoende.
p. 8 “ De stikstofproblematiek is de afgelopen jaren uitgegroeid tot één van de hardnekkigste knelpunten voor ruimtelijke ontwikkeling in Nederland, met stilstand van projecten in de landbouw, industrie, mobiliteit en bouw. Dat komt door de verplichting van Europese lidstaten om aangewezen habitattypen in Natura 2000- gebieden in een ‘goede staat van instandhouding’ te brengen en te houden, onder andere door de milieucondities te verbeteren”. Dit is een bewust verkeerde voorstelling van zaken. Er is geen stilstand van projecten en problemen rondom vergunningverlening komen voort uit het feit dat te weinig is gedaan om milieu en natuur te beschermen. Het is dus niet de verplichting die de oorzaak van problemen is, maar het falen van de overheid. Dat falen hangt voor een belangrijk deel samen met de wens om zoveel mogelijk ruimte te geven aan de veehouderijsector. Niet toevalligerwijs de sector die verantwoordelijk is voor het merendeel van de problemen.
p. 8 “Dit beleid maakt dat er nauwelijks ruimte is voor de vergunningverlening voor nieuwe projecten” Dit is een verkeerde voorstelling van zaken. Het feit dat er nauwelijks ruimte is voor vergunningverlening, is een gevolg van de omvang van vervuiling en niet van het beleid. Niet alles kan.
p. 8 “Nederland bevindt zich daarmee al jaren in een merkwaardige, soms zelfs surrealistische situatie. Een welvarend land met een van de meest efficiënte landbouwsystemen ter wereld, een robuuste kennisinfrastructuur en een economie die drijft op innovatie, zit juridisch en maatschappelijk op slot door verkeerde keuzes in het beleidsdossier rond stikstof”. Dit is een zeer normatieve uitspraak waarbij opgemerkt kan worden dat Nederland helemaal niet op slot zit en er bovendien grote vraagtekens gezet kunnen worden bij “meest efficiënt landbouwsystemen”. Het is immers ook duidelijk dat de veehouderij zowel in Nederland als elders ter wereld grote ecologische en sociale problemen veroorzaakt. En juist die problemen zijn in de afgelopen decennia structureel genegeerd in het beleid dat vooral gericht was op het faciliteren van die veehouderij. In die zin is er dus geen sprake van een merkwaardige of surrealitische situatie, maar van een logische volgorde van oorzaak en gevolg. Daar werd meer dan vijftig jaar geleden overigens als voor gewaarschuwd[6].
p. 8 “Bouwprojecten worden niet vergund, bedrijven kunnen niet innoveren en de zogeheten PAS-melders in de landbouw – ondernemers die te goeder trouw handelden onder de vorige regeling – leven in permanente onzekerheid over de vergunbaarheid van hun investeringen die reeds uitgevoerd zijn.” Bouwprojecten worden wel vergund en ook gerealiseerd. Bedrijven kunnen innoveren. En het is een wijdverspreid misverstand dat PAS-melders te goeder trouw hebben gehandeld.
p. 8 “Honderden artikelen en studies zijn er afgelopen jaren gepubliceerd en steeds vaker wordt de vraag gesteld: is stikstof nu een echt probleem of hebben we er in Nederland een probleem van gemaakt?” Die vraag wordt vooral gesteld door leden van de twijfelbrigade. Alle serieuze artikelen en studies laten keer op keer zien dat overmatige stikstofdepositie een groot probleem is. Zie bijvoorbeeld het rapport Ammoniak in Nederland dat al in 2008 is gepubliceerd in reactie op berichten van de twijfelbrigade.
p. 8 “Zijn er dan echt geen realistische oplossingen en moeten we het ‘stikstofslot’ dus maar gewoon lijdzaam ondergaan?” In tegenstelling tot de suggestie die met deze zin wordt gewekt, zijn er uiteraard allerlei realistisch oplossingen. Die beogen allemaal hetzelfde effect: een forse reductie van de uitstoot van ammoniak.
p. 8: “De stikstofcrisis is daarmee verworden tot een crisis van verwarring, waarbij de problematiek van de reductie van stikstofemissie en de opgave van natuurherstel verstrikt is geraakt in een web van regels, juridische procedures, belangen, modellen en interpretaties waar grote kritiek op bestaat”. Wederom een zin die vooral verwarring probeert te veroorzaken en bovendien een verkeerde voorstelling van zaken geeft. De stikstofcrisis, was, is en blijft een probleem van teveel mest en uitstoot van ammoniak. Reductie van stikstofemissies en natuurherstel kunnen prima uitgevoerd worden en zijn zeker niet verstrikt in een web van regels. Dat deze zaken onvoldoende wordenuitgevoerd, hangt inderaad samen met belangen die vooral gericht zijn op het behouden van de huidige (problematische) situatie. En naast kritiek is er vooral ook heel veel overeenstemming over het probleem en noodzakelijke maatregelen. De rest is vooral ruis die geheel in lijn met de strategieën van de twijfelbrigade gericht is op het voorkomen van effectief beleid.
p. 16 “Een hardnekkig misverstand in wetgeving en rechtspraak is de aanname dat reductie van depositie in de richting van een KDW op afzienbare termijn (d.w.z. binnen 5 jaar; 2030) bijdraagt aan natuurherstel” Ook hier lijken de auteurs vooral zelf verwarring te willen creëren. Ze benoemen namelijk niet bij wie dit een misverstand zou zijn en geven ook geen onderbouwing voor hun uitspraak. De publicaties over het belang van de KDW en ook de rechtspraak zijn in ieder geval helder over de betekenis en rol van KDWs. Daarbij geldt bovendien dat een vermindering van de stikstofdepositie – ook op korte termijn – weldegelijk bijdraagt aan natuurherstel. Het voortzetten van vervuiling, zeker in de mate waarin dat nu gebeurt, betekent namelijk dat de situatie nog verder verslechtert en herstel lastiger en soms zelf onmogelijk wordt. Het doel om te zorgen voor een substantiële vermindering van de stikstofdepositie volgt dus heel logisch uit de noodzaak natuur te beschermen en herstel überhaupt mogelijk te maken. Precies dat is vastgelegd in de Omgevingswet.
P 17. Paragraaf 3 Relatie emissie en depositie: Dit deel beschrijft veel bestaande inzichten. Het belangrijkste punt is dat vervuiling wordt veroorzaakt door vele bronnen die zowel dichtbij als op grotere afstand zijn te vinden. 60-70% van de vervuiling komt vanuit de landbouw en de uitstoot van ammoniak verspreidt zich over het hele land en gaat uiteraard ook over de landsgrenzen heen. Het is dus logisch om zowel lokaal te kijken naar geschikte maatregelen als ook te zorgen voor een forse vermindering van de totale uitstoot van ammoniak in Nederland. Dat is al lang bekend en was ook het uitgangspunt van bijvoorbeeld het Nationaal Programma Landelijk Gebied. Dat stikstofdepositie lastig toe te rekenen is aan één specifieke bron is ook al lang bekend en dat is precies waarom modellen zijn ontwikkeld en worden gebruikt. Die modellen zijn prima geschikt voor het doel waarmee ze worden gebruikt. De onzekerheden zijn beperkt en irrelevant in het grotere plaatje; zeker zolang de uitstoot fors veel hoger is dan gewenst. Hetzelfde geldt over de onzekerheden omtrent de kritische depositiewaarden.

p. 23 “Een van de misverstanden in het stikstofdebat is de aanname dat depositiereductie leidt tot spoedig natuurherstel.” Ook hier presenteren de auteurs weer een stropop. Zonder bronvermelding wordt iets gesteld waarvan de meeste mensen, inclusief politici, weten dat het niet klopt. Dankzij vele publicaties en publieke informatie weten de meeste mensen dat natuurherstel alles behalve eenvoudig is en meer vraagt dan alleen een vermindering van de stikstofdepositie. Tegelijkertijd zijn de meeste mensen zich er ook van bewust dat een snelle vermindering van de stikstofdepositie noodzakelijk is om verdere verslechtering te voorkomen en natuurherstel mogelijk te maken. Dat een deel van de negatieve effecten het gevolg is van vervuiling uit het verleden, is uiteraard geen reden om nu onverminderd door te gaan met die vervuiling.
De simplistische vergelijking die op p. 23 (fig. 3.6), zonder verder toelichting, wordt gemaakt tussen de ontwikkeling van de stikstofdepositie en de trends van soorten van de habitatrichtlijn illustreert dat het rapport niet bedoeld is als serieuze bijdrage aan de discussie over effecten van stikstofdepositie.
p. 24 “Een meetbare emissiereductie staat niet gelijk aan aantoonbaar natuurherstel. Er is daarom wetenschappelijk geen legitimatie voor het gebruik van KDW’s als grenswaarden voor de passende beoordeling van mogelijk significante gevolgen van plannen of projecten.” Ook hier wordt een stropop opgevoerd. Het gebruik van kritische depositiewaarden bij vergunningverlening is van belang omdat bij overschrijding van de KDW significante effecten en daarmee verslechtering als gevolg van een project dat zorgt voor een toename van de stikstofdepositie veelal niet zijn uit te sluiten. Die vergunningverlening staat los van natuurherstel. Eigenlijk zouden de gevolgen voor natuurherstel wel meegenomen moeten aangezien een toename van de uitstoot op termijn betekent dat natuurherstel lastiger wordt. Bovendien zou meegenomen moeten worden dat de kans op verslechtering als gevolg van een nieuw project groter wordt indien sprake is van langdurige overbelasting van stikstofdepositie op een gebied. Net zoals meegenomen zou moeten worden dat de effecten van een toename van de stikstofdepositie als gevolg van een nieuw project eerder tot verslechtering leiden als andere drukfactoren, zoals bijvoorbeeld verdroging, niet op orde zijn. De lat bij de beoordeling van vergunningaanvragen moet dus eerder omhoog dan naar beneden.
p. 24 “Het artikel is opgebouwd uit vier leden, die samen een coherent systeem vormen van proactief beheer (lid 1), reactieve preventie (lid 2), projecttoetsing op significante gevolgen voor de instandhoudings-doelstellingen en het verslechteringsverbod (lid 3), plus een compensatieplicht als een ontwikkeling toch moet doorgaan vanwege dwingende redenen van groot maatschappelijk belang (lid 4)” Het verslechteringsverbod betreft het tweede lid van artikel 6. Wel moeten het tweede en derde lid in samenhang beschouwd worden bij het beoordelen van plannen en projecten.
p. 25. “3.5.2 Herstelmaatregelen in de natuur” In deze paragraaf schetsen de auteurs een karikatuur van natuurbeheer en -herstel. Ten eerste zijn de mogelijkheden van terreinbeherende organisaties vrij beperkt omdat ze alleen gaan over maatregelen in het door hen beheerde gebied en ze veelal vanuit de overheid onvoldoende financiële middelen krijgen om dat beheer optimaal uit te voeren. Daarnaast is de effectiviteit van herstelstrategieën beperkt zeker als de drukfactoren niet worden aangepakt en maatregelen zoals maaien, plaggen of bekalken bij herhaling moeten worden ingezet. Sommige van die maatregelen doen inmiddels meer kwaad dan goed. Ecologisch herstel is dus gebaat bij het aanpakken van de drukfactoren en zo min mogelijk beheer of ingrijpen in het gebied. Terreinbeherende organisaties hebben echter maar heel beperkt mogelijkheden om drukfactoren aan te pakken en aan de oorzaak van stikstofdepositie – de enorme uitstoot van ammoniak door de landbouw – kunnen ze al helemaal niets doen. Het is dus noodzakelijk dat overheden gaan doen wat moet en kan. Het voorstel om in beheerplannen met KPIs te gaan sturen op intensieve maatregelen illustreert een landbouwkundige blik op natuur. En juist die veelal simplistisch landbouwkundige blik is een belangrijke oorzaak voor de schade aan ecologische systemen en veel van de maatschappelijke problemen die daarmee samenhangen.
P 28 “4.1 Ontwikkeling van emissiebeleid naar natuurbeleid”. Deze paragraaf schets een kort en te simplistisch beeld van de geschiedenis van het beleid rondom natuur en stikstof. Daarbij wordt niet vermeld dat achtereenvolgende kabinetten en ook diverse provinciale besturen hun uiterste best hebben gedaan om natuur en milieubeleid af te breken, wet- en regelgeving te minimaliseren en te omzeilen en dat veel inspanningen, inclusief het PAS juist gericht waren op het faciliteren van de veehouderij. In het kader van het PAS is de uitbreiding van zo’n 10.000 veehouderijbedrijven toegestaan, ondanks dat juridische basis daarvan niet deugde. De schade van dat falend beleid is inmiddels wel bekend, maar de lessen worden niet benoemd of geleerd.
p. 29. “Om de effecten van stikstof op natuur te beperken is in Nederland een vergunningenstelsel op basis van depositiebeleid geïmplementeerd.” Hier slaan de auteurs (bewust?) de plank goed mis. Het vergunningstelsel staat los van het beleid. Daarbij is er in Nederland geen sprake van depositiebeleid. In de Omgevingswet zijn doelen vastgelegd met betrekking tot het areaal waar sprake mag zijn van overschrijding van de kritische depositiewaarde, maar het beleid om de stikstofdepositie te verminderen richt zich op het verminderen van de uitstoot: emissiebeleid dus. Bij industrie en verkeer is dat veelal meer algemeen beleid om de uitstoot te verminderen. Bij landbouw gaat het vooral over uitkoopregelingen.
P. 30 “De hierboven beschreven systematiek met depositiebeleid is de Nederlandse implementatie van de Habitatrichtlijn. Opvallend is echter dat die richtlijn niet voorschrijft hoe een passende beoordeling moet plaatsvinden: er is geen verplichte rekenmethode, geen verplichte drempelwaarde en geen verplicht rekenmodel”. Het kan zijn dat dit opvallend is voor iemand zonder enige kennis van zaken. Het kan zijn dat iemand het opvallend noemt om daarmee verwarring te zaaien. Opvallend is het echter niet. De richtlijn moet worden toegepast op heel uiteenlopende situaties en het is aan lidstaten om daar per situatie een passende invulling aan te geven. Er is niet voor niets gekozen voor de term passende beoordeling. De rekenmethode en rekenmodel zijn in Nederland ingevoerd om uitbreiding van veehouderijbedrijven te faciliteren. Zonder die rekenmethode en het bijbehorende model was het immers niet mogelijk om effecten in beeld te krijgen, laat staan uit te sluiten dat er significante effecten zouden zijn. De drempelwaarde is niet verplicht, maar volgt uit wetenschappelijke kennis over de effecten van overmatige stikstofdepositie op beschermde habitattypen. In praktijk zijn veel ecosystemen zelfs gevoeliger en betekent het gebruiken van de drempelwaarde dat negatieve effecten wellicht worden onderschat.
p. 30 “Een commissie die is ingesteld om het Nederlandse systeem van “meten en berekenen” te evalueren (Hordijk et al., 2020) heeft aangeven dat AERIUS (OPS) doelgeschikt is op landelijke en regionale schaal maar niet op lokale schaal13 per Natura 2000-gebied en per plan of project waarvan de significantie passend beoordeeld moet worden”. Dit is een verkeerde voorstelling van zaken die geen recht doet aan de onderbouwde en genuanceerde conclusies van het Adviescollege Meten en Berekenen Stikstof. In het rapport Niet uit de lucht gegrepen concludeert het Adviescollege: “het OPS-model een goed instrument is om de verspreiding van de uitstoot te simuleren, met name op lokale schaal” (p. 25); “OPS een valide instrument is om de verspreiding en depositie op lokale schaal te beschrijven, omdat het lokale verspreiding goed modelleert (p. 26); “de relatieve verdeling van de Nederlandse sectorbijdragen aan de depositie op natuurgebieden, zoals berekend met OPS, maar ook ondersteund door andere modellen, voldoende is onderbouwd” (p. 26). Of te wel AERIUS (OPS) is doelgeschikt.
In het eindrapport van het Adviescollege Meten en Berekenen van Stikstof wordt een aantal aanbevelingen gegeven om AERIUS te verbeteren. “De beleidsvragen over bronbijdragen, depositieniveaus op Natura 2000-gebieden en herkomst van de depositie kunnen met het huidige meet- en rekensysteem voldoende nauwkeurig worden vastgesteld. Het is een systematiek die doet waarvoor zij in leven is geroepen en die een internationale vergelijking goed kan doorstaan. Het adviescollege constateert echter dat AERIUS, voor zover dat gebruikt wordt voor vergunningverlening, in zijn huidige vorm, niet doelgeschikt is”. … “Het adviescollege beveelt aan de gelijkwaardigheid, transparantie en robuustheid van AERIUS te vergroten door voor de depositieberekening van emissies van verkeer hetzelfde model te gebruiken als voor de depositieberekening van de andere sectoren, zoals landbouw en industrie. Dit wordt ook bereikt door een bron-receptormatrix te gaan hanteren die een vereenvoudigde, efficiënte en transparante berekeningswijze garandeert. Een bron-receptormatrix maakt geen verschil tussen de bronnen. Een grotere mate van robuustheid wordt verder verkregen door de bijdragen aan de depositie niet te evalueren op het niveau van individuele hexagonen, maar op dat van een cluster van hexagonen met hetzelfde habitattype.” (p. 9).
Het model is dus weldegelijk geschikt voor vergunningverlening, maar het kan verbeterd worden.
Het interessante is dat de onzekerheden van het model nooit als probleem werden gezien toen op basis daarvan duizenden vergunningen voor de uitbreiding van veehouderijbedrijven zijn verleend. Ook het feit dat het model de daadwerkelijke toename van de stikstofdepositie juist kan onderschatten wordt niet benoemd. De kritiek is daarmee eenzijdig, gaat voorbij aan de verplichting natuur en milieu te beschermen en lijkt vooral bedoeld om meer vervuiling te kunnen faciliteren.
p. 30 “De onderliggende modelafhankelijkheid maakt het systeem van vergunningen kwetsbaar voor juridische procedures die zich blind gedragen ten opzichte van de aannames en onzekerheden binnen het AERIUS-model zelf en ten opzichte van de specifieke toepasselijkheid van het model”. Met deze uitspraak reduceren de auteurs rechters die zorgvuldig alle kennis en onzekerheden daaromtrent afwegen tot mensen die niet zelf na zouden denken. Juridische procedures gedragen zich niet, maar komen tot stand door mensen die argumenten aandragen en afwegen.
Het is belangrijk om te beseffen dat het AERIUS-model vergunningverlening maakt mogelijk. Gezien de huidige omvang van emissies en deposities is het namelijk zeer waarschijnlijk dat een activiteit die zorgt voor nog meer uitstoot van ammoniak of stikstofoxiden ook zal zorgen voor een toename van de stikstofdepositie op plekken waar de stikstofdepositie juist naar beneden moet om verdere verslechtering te voorkomen. Door de effecten op de stikstofdepositie te berekenen met behulp van AERIUS kan in sommige situaties worden aangetoond dat de depositie niet toeneemt. Ook dat kent risico’s want de onzekerheden die inherent zijn aan het model kunnen immers ook betekenen dat er weldegelijk een toename van de stikstofdepositie is. Doordat het gebruik van een model is geaccepteerd, met inachtneming van de onzekerheden die daarmee samenhangen, ontstaat juist een systeem dat juridisch niet kwetsbaar is.
Bovendien zijn juridische procedures tegen verleende vergunningen alleen kansrijk als het bevoegd gezag fouten maakt of de beoordeling niet zorgvuldig uitvoert; het gebruik van AERIUS is geen reden om een besluit te vernietigen.
p. 32. “Het huidige depositiebeleid moet worden omgezet naar doelsturing op een landelijke, regionale en bedrijfsgerichte daling van stikstofverliezen”. Er is geen depositiebeleid. Daling van de uitstoot van ammoniak kan op verschillende manieren, inclusief doelsturing, worden gerealiseerd. Ook handhaving, het korten op productierechten en uitkoopregelingen kunnen worden ingezet en sturing is bijvoorbeeld ook mogelijk via het beprijzen van emissies.
P 32. “Voor de lange termijn is een ambitieus emissiebeleid noodzakelijk waarbij op landelijk niveau een reductie van minimaal 50% conform de uitwerking van de doelen in de stikstofwet – als ook het resultaat van de optelling van alle gebiedsdoelstellingen – gewenst is in 2035 waarbij de opgave regionaal kan differentiëren”. Deze doelstelling moet uiterlijk in 2030 gerealiseerd zijn, conform het advies van Remkes et al. en het bevel van Rechtbank Den Haag. De auteurs lijken het oplossen van het probleem opnieuw op de lange baan te willen schuiven en gaan daarbij ook nog eens voorbij aan het bevel van de Rechtbank Den Haag.
p. 36. “De huidige eis van ‘additionaliteit’ kan anders worden ingevuld. De huidige situatie betekent namelijk dat alle initiatieven die leiden tot emissiereductie niet van de grond komen en het onmogelijk maken om de doelstelling van artikel 6 lid 1 en 2 van de Habitatrichtlijn te realiseren”. Dit is een verkeerde voortelling van zaken. Initiatieven die leiden tot een emissieductie kunnen veelal binnen de kaders van een bestaande vergunning worden gerealiseerd. Een bedrijf dat koeien weg doet, minder krachtvoer wil gebruiken of een emissiearm systeem wil gebruiken kan dat gewoon doen. Zelfs als een nieuwe vergunning nodig is, kan die gewoon verleend worden mits maar gewaarborgd is dat de uitstoot niet toeneemt. Bekende voorbeelden van bedrijven die met de inzet van effectievere technieken hun uitstoot hebben verminderd zijn Olam en Campina. Ook veehouderijbedrijven met de inzet van emissie-reducerende technieken vergund worden, zoals bijvoorbeeld deze casus in Gelderland laat zien.
Dat veel vergunningen voor zogenaamd emissiearme stalsystemen zijn vernietigd is omdat de inzet bijna altijd werd gecombineerd met het uitbreiden van de veestapel (meer dieren is meer uitstoot) en de effectiviteit van veel technieken (zeer) twijfelachtig was. Nederlandse overheden hebben honderden miljoenen geïnvesteerd in dit soort staltechnieken zonder dat er een daling is geweest van de uitstoot van ammoniak. De vervuilers zijn goed betaald, maar het beleid is alles behalve effectief geweest. Het additionaliteitsvereiste waar recente uitspraken van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State specifiek op wijzen, vraagt heel simpel om een geloofwaardig pakket van maatregelen waarmee verslechtering van natuur als gevolg van overmatige stikstofdepositie wordt voorkomen.
[1] Denk bijvoorbeeld aan mestfraude, het dichtgooien van sloten, kappen van houtwallen en het illegaal in gebruik nemen van bermen om extra “mestplaatsingsruimte” te creëren, problemen rondom dierwelzijn, en de honderden miljoenen aan zinloze subsidies voor “innovaties” zoals luchtwassers en emissiearme stalsystem.
[2] In de afgelopen 30 jaar hebben achtereenvolgende kabinetten ingezet op het minimaliseren en omzeilen van de verplichtingen voor natuurbescherming. Dit vanuit het idee dat zoveel mogelijke ruimte moest worden gegeven aan economische activiteiten, waaronder de veehouderijsector. Dit heeft onder meer geleid tot allerlei (niet juridisch houdbare) geitenpaadjes. Zie bijvoorbeeld Beunen en Kole, 2021, https://www.raoulbeunen.nl/?p=1191, https://landwerk.nl/winkel/kool-geit-en-nederlandse-mestbeleid/ en https://w-ja.nl/de-boerenstaatsgreep/.
[3] Bekende voorbeelden van bedrijven die met de inzet van effectievere technieken hun uitstoot hebben verminderd zijn Olam en Campina. Ook veehouderijbedrijven met de inzet van emissie-reducerende technieken vergund worden, zoals bijvoorbeeld deze casus in Gelderland laat zien. Het probleem bij veel eerdere besluiten die door rechtbanken zijn vernietigd, was dat de beoogde vermindering van de uitstoot als gevolg van niet bewezen technieken werd gebruikt voor de uitbreiding van het aantal dieren. In zo’n situatie is niet uit te sluiten dat de uitstoot (en daarmee de negatieve effecten voor natuur) juist toenemen.
[4] https://www.ser.nl/-/media/ser/downloads/adviezen/1998/nationaal-milieu-beleid.pdf
[5] De Beleidsevaluatie van het PAS laat zien dat onder dat programma zo’n 10.000 veehouderijbedrijven toestemming hebben gekregen voor uitbreiding.
[6] de la Lande Cremer, L. C. N. (1970). Mestoverschotten, een potentiële bron van milieuverontreiniging. Kali, 8(80), 361-368.